- 11 april 2007 -

Om acht uur 's morgens zitten we klaar op het terras van ons hotel in Mombasa. Volgens afspraak. Klaar voor de grote dag want vandaag gaan we onze auto verschepen. Van horror- tot succesverhaal, alles is ons de afgelopen dagen ter ore gekomen en we zijn reuzebenieuwd hoe dit avontuur voor ons gaat aflopen.

Om half negen is er nog niemand. Ach, denken we nog, 't blijft Afrika hè. Om kwart voor negen krijgen we een sms'je van onze agent in Naïrobi: de lokale contactpersoon is nu écht onderweg hoor. Het kan niet lang meer duren. Enkele sms'jes en telefoontjes later bestellen we nog maar een koffie. Om tien uur hangen we wéér aan de telefoon, foeteren de jongen aan de andere kant nóg maar een keer uit en om vijf voor half elf, je gelooft 't niet, komt ie dan eindelijk opdagen. Met een grote inktvlek in z'n overhemd, een doodgemoedereerde glimlach, ongewassen haren en geen enkele smoes om de gang van zaken te verklaren. Ach, denken we weer, 't blijft Afrika hè.

Eerst maar naar de scheepvaartmaatschappij zelf, in ons geval de van oorspong Nederlandse WEC. Daar moeten papieren worden opgehaald, want uiteraard is dat stukje voorbereidend werk nog niet gedaan. Onze vriend heeft geen geld voor de bus, weet je. Dus betalen wij de bustickets en wachten nog maar eens ‘n half uurtje terwijl de papieren gereed worden gemaakt. Daarna terug naar het hotel waar Joseph - de contactpersoon - prinsheerlijk genesteld in een goede stoel, rustig wacht tot wij klaar zijn met het vastsjorren van de tent. Hoezo een handje helpen?

We vervolgen de dag en belanden op de scheepswerf waar alle containers ingepland, uitgeladen en verdeeld worden. Op kantoor zit een aardig meisje haar uiterste best te doen om alles goed te regelen en schouderophalend komt Joseph ons mededelen dat er geen vervoer beschikbaar is om de container naar de werf van WEC te brengen. Daarvoor moet je namelijk 's morgens vroeg komen, nu is het te laat en zijn alle voertuigen al bezet. Grrr. Het meisje doet intussen haar uiterste best om vervoer voor ons te vinden, terwijl Joseph wel door heeft dat ie beter even aan de andere kant van de kamer kan gaan zitten. Na twee uur besluiten we zelf alvast naar de werf van WEC te gaan en warempel, de container volgt een klein uurtje later. Het is dan twee uur 's middags en de eerste stap is genomen, we hebben een container tot onze beschikking!

Deze keer komt Joseph wél een handje helpen. Nadat ie enkele keren heeft geprobeerd zijn werkzaamheden op ons af te schuiven (of wij niet even naar de baas willen bellen, en dan kunnen wij vast ook wel even die papieren kopiëren en daar-en-daar afgeven) heeft ie waarschijnlijk niet zo'n zin in wéér ‘n uitbrander. Met engelengeduld dat echter snel opraakt, wijzen we hem op zijn verantwoordelijkheden en taken, waarna hij meewarig z'n ogen ten hemel heft en ons – immer benepen westerlingen - hoofdschuddend aankijkt. Hij heeft toch zeker geen beltegoed meer! Wij daarentegen hebben blanke en vooral bodemloze fondsen tot onze beschikking. En dus oneindig veel beltegoed. Duh.

Intussen probeert z'n collega James in de haven alle benodigde stempels op onze formulieren te krijgen. We bellen ‘m regelmatig om de stand van zaken door te nemen, maar de rij waarin ie staat lijkt alleen maar langer te worden. De douaniers doen moeilijk en willen geld zien. Maar omdat wij uiteraard geen toestemming geven om smeergeld te betalen - zo komt er toch nooit wat terecht van dit helse continent, roepen we nog! – kan hij niets anders doen dan afwachten, z'n liefste glimlach tevoorschijn halen en mopperen op die arrogante blanken die geld genoeg hebben maar weigeren een beetje extra te betalen. Ik kan een lichte rolberoerte nog net onderdrukken als ie halverwege de middag belt om te vragen wat er ‘voor hem inzit, als ie vandaag alles nog rondkrijgt'?

Terug naar de werf. De auto wordt de container ingereden, vastgesjord en met onze eigen hangsloten vergrendelen we de deur. Klaar. En opnieuw begint het lange wachten, deze keer tot een heftruck vrijgemaakt kan worden om de vier ton zware container op de oplegger te hijsen. Inmiddels is ook ons beltegoed op, maar blijkt Josephs telefoon miraculeus toch nog wel een paar telefoontjes aan te kunnen en krijgen we te horen dat de container dezelfde nacht nog aan boord gaat! Als de heftruck tenminste op tijd is. Uren later, als de avond al valt, komt een enorm apparaat het terrein oprijden, klemt onze container in z'n grote tentakels en zet zonder aarzeling de vracht op een gereedstaande oplegger. Twee minuutjes, klaar.

Tegelijktijd belt James dat de papieren zijn gestempeld en hij ons opwacht in de haven. Zou het vandaag dan toch nog goedkomen? We klimmen bij de bestuurder in de cabine en tuffen richting de afgesproken plek. Maar halverwege trekt de chauffeur aan de handrem, klimt uit de auto en gaat op z'n gemak een sigaret staan roken in de berm. We moeten even wachten, verklaart ie. Tuurlijk denken we. Even wachten. De baas moet namelijk papieren komen brengen. Anders weet ie niet via welke ingang we de haven binnen moeten rijden. Hakuna matata, grijnst ie, even geduld. En er zit inderdaad niets anders op dan even met onze ogen te rollen en nog wat langer te wachten.

Een half uurtje later brengt een telefoontje uitkomst, wordt de vrachtwagen hortend en stotend weer tot leven gebracht en staat bij aankomst de douane klaar om de boel te inspecteren. Eigenlijk mogen we de haven helemaal niet in zonder pasje, maar we weigeren de douaniers in de container te laten zonder onze aanwezigheid. Gelukkig doen ze niet moeilijk en mogen we toch even mee. Alles wordt goedgekeurd, de container wordt verzegeld en wederom moeten er stapels papieren worden ingevuld, gestempeld en vertienvoudigd. Maar dat is James' taak en ondertussen wachten wij gewoon geduldig tot ie klaar is. Een klein uurtje brengen we nog door op de stoep van de douane, ons vergapend aan de enorme vrachtwagens die binnen komen denderen, de niet aflatende bedrijvigheid en de felle bouwlampen die de grootste haven van Oost-Afrika in het licht doen baden en het water voor de kade doen glinsteren.

En dan is het klaar. We krijgen papieren in onze handen gedrukt, vol stempels en vage handtekeningen. De oplegger met onze container verdwijnt in de schemer en daar staan we dan. Onze auto, trouwe derde metgezel tijdens deze reis, is weg. We zijn nog maar met z'n tweeën. Moe, hongerig en weer een ervaring rijker bedanken we Joseph en James, drukken ze tóch maar een fooi in de hand en duiken in een lawaaierige tuktuk. Eenmaal omarmd door de zachte dekens van ons hotelbed vallen we in een diepe slaap die wordt gedomineerd door vrachtschepen, misthoorns en zeerovers. Want nu begint het wachten pas echt. Achtentwintig lange dagen voordat het schip aanmeert in Rotterdam en onze auto in één stuk aflevert. Je weet namelijk maar nooit wat er allemaal kan gebeuren. Want tja, 't blijft Afrika hè.