- 16 maart 2007 -

De tocht naar Rwanda is zwaar. Wegen zijn kapotgereden, nooit aangelegd of al jaren in aanbouw. Dat betekent zandweggetjes, potholes, wasbordwegen en omleidingen. Een hele dag rijden, brengt ons slechts 200 kilometer dichter bij ons einddoel. We rijden de stuurdemper kapot en een van onze stoelen valt uit elkaar. Gelukkig blijkt het slechts een schroefje dat losgetrild is.

Maar het uitzicht is mooi. Het is heuvelachtig, veelal begroeid met loofbomen en in de vele haarspeldbochten worden we beloond met een weids uitzicht over de grasvlakten waar de Masaï hun vee hoeden. Mannen zijn getooid in het bekende rode kleed en gewapend met speer, vrouwen zijn prachtig versierd met vele kleurige kraaltjes en de typische uitgerekte oorlellen. We passeren kleine, stoffige dorpjes waar mannen met hun koopwaar, enkele kippen of zelfs een varken, onder de snelbinders van hun fiets over de markt leuren of waar iedereen op het heetst van de dag slapend in de berm ligt.

Ook de tweede dag schieten we niet echt op, hoewel op sommige plekken de weg beter is en we dan lekker kunnen doorrijden. Soms is het een goede piste, soms is er zelfs glad asfalt. Maar altijd zijn er snelheidsdrempels, gemaakt van opgehoopt zand, cement of grind. Niet alleen in een dorp, maar ook ver daarbuiten. Niet alleen voor een schooltje, maar ook kilometers er vandaan. Soms duidelijk aangegeven, soms plotseling opdoemend uit het niets. Het devies is duidelijk, pole pole, slow slow. En inderdaad, we kunnen niet anders dan langzaam onze weg vervolgen.

Kinderen lopen met een schoolboek onder de arm aan de kant van weg, keurig gekleed in schooluniform maar op blote voetjes. Vrouwen werken op het land, een zware zeis in de hand of lopend achter een tweetal ossen die een ploeg voorttrekken. Ezeltjes trekken karren volgeladen met kolen, stenen of mais. De regentijd is begonnen en we plonzen regelmatig door diepe plassen, al snel omgetoverd tot modderpoelen, en met de klodders blubber achter onze oren bereiken we 's avonds een klein hotelletje.

De derde dag bereiken we de grens tussen Tanzania en Rwanda en wordt het al snel duidelijk waarom Rwanda ‘le pays des milles collines', het land van 1000 heuvelen wordt genoemd. Zover we kunnen kijken, zien we rollende heuvels, blauwe meertjes en terrassen met tropische bananenplantages. Het landschap wordt afgewisseld met schattige dorpjes waar aangeveegde stoepjes en keurig onderhouden huisjes staan. De openbare weg wordt gesierd door goede bewegwijzering, rotondes waar waarachtig bloemperkjes in zijn aangebracht en er staan zelfs prullenbakken op straat. Wat een verschil met de rest van Afrika! Akkertjes waar koffie, thee of zoete aardappelen worden verbouwd, liggen als bonte lappen op een deken tegen de hellingen, overal zien we zwaaiende mensen en lachende kinderen.

Maar we worden ook geconfronteerd met de andere kant van Rwanda. De vele massagraven aan de kant van de weg zorgen ervoor dat de slachtoffers van de genocide nooit vergeten zullen worden. Er liggen bloemen, kransen en overal staan gedenkbogen. De komende dagen zal Rwanda - voor ons tenminste - toneel worden voor zowel één van de mooiste ontmoetingen met de dierenwereld als één van de afschuwelijkste confrontaties met gruwelijkheden die de mensheid kan begaan. En dat allemaal in één land, in slechts enkele dagen tijd. Vanaf de eerste minuut maakt dit piepkleine landje een diepe indruk op ons.