|
- 15 september 2006 -
Of we een tochtje op het water willen maken. Er is een melding binnengekomen over een buffel die mogelijk vastzit in de rivier en drie scouts gaan erop af. Ondanks de stapels werk die nog op ons liggen te wachten, laten we alles vallen waar we mee bezig zijn en rennen naar buiten. We zijn hier tenslotte ook voor ons plezier!
Na een kilometer op volle snelheid over het meer te hebben gezoefd, heerlijk op zo'n warme dag, hapert plots de motor en zitten we vast op een zandbank. Met enige moeite komen we los, sturen aan op de kant – waar het water dieper is – en vervolgen de tocht. Enkele minuten later doemt een eiland voor ons op en op hetzelfde moment dat een hippo zijn enorme kop boven het water uitsteekt, komen we weer vast te zitten. Hippos zijn prachtig maar ze moeten wel op een afstand blijven. Niet de leeuw, de buffel of de olifant maar de hippo is namelijk verantwoordelijk voor de meeste menselijke slachtoffers op het Afrikaanse continent. En deze kolos is gevaarlijk dichtbij.
Grommend verdwijnt ie onder water zodat het gevaar ogenschijnlijk geweken is. Maar een vijand kun je beter binnen je gezichtsveld hebben en dus zetten de scouts alles op alles om onze boot los te duwen uit de zandbank. En even later zoeven we weer verder, met een grote boog om de hippo heen.
Langzaam zien we de zon ondergaan en wordt de vallei in felle vlammen gedoopt, rood en oranje. En komen we nog vijf keer vast te zitten. Kinderen verzamelen zich om te kijken naar het schouwspel en een stokoude, tandeloze visser dobbert voorbij in zijn uitgehouwen kano. De lange schaduwen van de mensen op de oever zwaaien naar ons en we leren al snel dat de buffel waar we naar op zoek zijn, al enige dagen geleden is weggespoeld. Meegenomen door de rivier.
De terugweg gaat voorspoedig, geen hippos, geen zandbanken. Tot de motor ermee stopt. Zomaar, midden op de rivier. Het water begint te kolken, de boot te draaien en de motor weigert alle dienst. Als de stroomversnellingen te sterk worden en de oever met zijn overhangend struikgewas in snel tempo nadert, kunnen we niets anders doen dan op de bodem van de boot te gaan liggen, in elkaar gedoken en wachtend tot het vaste land onze vaart breekt. Met razende snelheid en veel gekraak – van takken, gelukkig niet van ons of de boot – belanden we in een laag overhangende acaciaboom. Vol doornen. Niet bepaald comfortabel maar het geeft in ieder geval even de gelegenheid om de motor weer aan de praat te krijgen. En terwijl een van de peddels door de stroom wordt weggevoerd, scherpe doornen in onze gezichten zwiepen en iedereen probeert de boot in evenwicht te houden, horen we plots weer het tevreden gesnor van de motor die aanslaat. De opluchting op de gezichten van de scouts is overduidelijk. En na enig duwen en trekken, onze hoofden beschermend tegen de takken, slagen we erin onszelf met volle kracht uit het struikgewas te bevrijden en het laatste stuk over de rivier probleemloos af te leggen.
150 jaar geleden voer dr. Livingstone op precies deze plek richting het avontuur en handelsmogelijkheden. Hij voer langs dezelfde oevers, zag dezelfde zonsondergang boven de vallei en kreeg te maken met dezelfde stroomversnellingen. En ook hij kwam vast te zitten en moest uiteindelijk zelfs zijn tocht over water opgeven om te voet verder te gaan. En zo kwamen op een gewone maandagmiddag de legendarische voetsporen van dr. Livingstone wel heel dicht bij de onze.

|