- 16 mei 2006 -

Na vier dagen afzien op de wegen van Angola rijden we Luanda, de hoofdstad, binnen. Plotseling bevind je jezelf op een brede boulevard, compleet met wuivende palmbomen, neonverlichting, reclameborden en torenhoge kantoorgebouwen en kijk je uit over de baai waar motorbootjes, plezierschepen en luxe jachten voor anker liggen. De wegen zijn verstopt door de vele splinternieuwe Hummers, BMW's en Mercedessen, het zonlicht weerkaatst op hun getinte ramen.

In het centrum van de stad is niets te merken van armoede, alles is peperduur, goed onderhouden en vanaf het schiereiland heb je 's avonds een schitterend uitzicht over de skyline van Luanda. De dames dragen centimershoge hakken, hebben dure, geblondeerde kapsels en een parmantig schoothondje aan een roze leiband.

Deze stad is onafrikaans, lijkt te worden geregeerd door expats en heeft de echte wereld buitengesloten. Want om Luanda binnen te komen, moet je eerst door een van de afschuwelijkste krottenwijken die wij ooit gezien hebben. Gebouwd op vuilnis en van vuilnis, het water besmet met cholera. Hier bestaat geen middenklasse, Luanda is een stad van alles of niets.