|
- 29 april 2006 -
Voor de derde keer gaan we naar het vliegveld. Daar zit in een schamele loods, die voor vertrekhal door moet gaan, een man op een plastic kuipstoeltje. Op de muur staat met krijt geschreven ‘Immigration'. Diezelfde man heeft ons gisteren gezworen dat we vandaag een verlenging van ons Congolese visum kunnen krijgen. Geen probleem, gewoon een kwestie van een stempel zetten. Vandaag echter weigert hij alle medewerking en wijst ons op de regels. De regels zeggen dat een verlenging alleen afgegeven kan worden op het hoofdkantoor.
Het hoofdkantoor van immigration, een dag eerder. Twee uur nadat we alle formulieren hebben ingevuld en onze paspoorten hebben overhandigd, worden we bij de baas geroepen. Z'n onderuitgezakte dikke lijf en verveelde gelaatsuitdrukking stralen desinteresse uit. Onmogelijk, zegt hij. We hadden het land al uit moeten zijn, we hebben maar een visum voor 7 dagen en hij weigert te verlengen.
De ambassade van Angola, weer een dag eerder. U krijgt alleen een visum voor Angola als u een 30-dagenvisum voor Congo heeft, een getype brief aan de ambassadeur en het duurt minstens 5 werkdagen.
Maar dit is Afrika, en meer dan ergens anders gaat het er hier om wie je kent. In een barretje aan het strand ontmoeten we een jongen die bevriend is met de ambassadeur van Angola. We leggen ‘m de situatie uit, hij trekt z'n mobieltje uit z'n zak, drukt op een paar toetsen, voert een kort gesprek en verzekert ons vervolgens dat we zonder problemen het visum voor Angola zullen krijgen.
De volgende ochtend wagen we, nadat we bij het vliegveld zijn weggestuurd, een nieuwe poging bij het hoofdkantoor van Immigration. Het zit ons niet lekker dat we illegaal in het land zijn en tot onze verbazing wordt vandaag wat gisteren nog onmogelijk was zonder problemen geregeld. We snappen er niets van, maar houden ons gedeisd... als we dat visum maar hebben!
En met een verlenging voor 30 dagen in ons paspoort kloppen we uiteindelijk aan bij de ambassade van Angola. Maar de portier heeft een slechte bui en deelt ons botweg mee ‘komt u woensdag maar terug, ik had gezegd 9:00 uur en inmiddels is het 10:15 uur'. Het feit dat de ambassade voor visumaanvragen open is tot 11:30 uur doet blijkbaar niet ter zake. Al onze argumenten worden terzijde gelegd. Dat de ambassadeur ons verwacht, gelooft ie niet en een telefoontje plegen om het verifieren wil ie niet.
Uiteindelijk, na veel lachen, praten, boos worden en vooral veel geduld, krijgen we de portier zover dat Charlotte en ik naar binnen mogen. Maar niet voordat ie onze papieren heeft gecontroleerd. Er is iets niet goed met het visum. Er is iets niet goed met de getypte brief aan de ambassadeur. Er is iets niet goed met weet-ik-veel-wat. Vijf kwartier en een paar bezoekjes aan het internetcafé later mogen we eindelijk naar binnen. Daar worden we opgewacht door iemand die op de hoogte is van onze situatie, alle medewerkers in rap Portugees vertelt dat ze ons zo snel mogelijk een visum moeten geven en ons alle medewerking moeten verlenen...
... geen probleem, dinsdag kunnen we 't ophalen!
 |