|
- 10 april 2006 -
De laatste keer dat ik op zondag de kerk bezocht heb, kan ik me niet meer helder voor de geest halen. Grootgebracht in het katholieke Brabant, maar zonder enige noemenswaardige kennis van christelijke, protestantse of andere levensovertuigingen te hebben meegekregen, bestaat mijn zondagochtendritueel al jaren uit uitslapen, joggen en uitgebreid ontbijten. Mijn persoonlijke visie op een gezond lijf en dito geest.
We zijn in de hoofdstad van Kameroen, Yaoundé, en wachten op onze visa voor Gabon. Ook in Afrika draaien de ambtelijke molens langzaam en met het weekend ertussen betekent dat 5 dagen doorbrengen in deze, niet al te spectaculaire, stad. Maar bejubeld in onze eigen bijbel, de Lonely Planet, vernemen we dat de zondagse openluchtmis in de parochie van N'Djong Melen een absoluut hoogtepunt is. En dus togen wij, vroeg opgestaan en in onze zondagse kleren, met een taxi naar de kerk.
Een ritje in een taxi is in elke stad, elk land, zonder uitzonderingen, een bron van genoegen. Het is, ook al word je afgezet, altijd zijn geld waard. Je krijgt de kans je heel even één te maken met de stad waarin je je bevindt, je op te laten gaan in het gekrioel van mensen, binnendoorwegen en drukke kruispunten, de verkeerschaos, de bedrijvigheid op de markten en de vele andere onbekende maar spannende plekken waar de taxichauffeur met gevaar voor eigen, en jouw, leven voorbij zoeft. Niet gehinderd door enige kennis van de verkeersregels of vaardigheden op het gebied van autorijden.
Een taxirit in Kameroen voegt echter een nieuwe dimensie toe aan deze, toch al onvergetelijke, ervaring. Het systeem is even briljant als lachwekkend, even hinderlijk als fascinerend. De belangrijkste manier om je hier van A naar B te begeven is in een zogenaamde shared taxi . Een ritje binnen de stad kost 175 CFA, ongeveer € 0,30. Wil je verder weg, dan dien je te onderhandelen over de prijs.
Je geeft aan van een taxi gebruik te willen maken door, lopend of stilstaand, je arm uit te strekken en met je hand een wapperende beweging te maken. Een voorbijkomende taxichauffeur laat daarop weten of hij beschikbare plaatsen heeft door flink op zijn claxon drukken. De taxichauffeur remt af, jij schreeuwt hard de gewenste bestemming en eventueel de prijs die je bereid bent te betalen en indien de bestemming op de route ligt en de prijs akkoord is bevonden, wordt de deal beklonken middels, wederom, het geluid van de claxon. Daarop stopt de taxichauffeur en stapt de nieuwe passagier in.
Mochten óf de bestemming óf de aangeboden prijs de taxichauffeur niet kunnen bekoren, trekt hij vlot weer op - de reeds aanwezige passagiers daarmee zacht in de versleten bekleding van de stoelen drukkende - tot de volgende klant zich aandient en de voet van de chauffeur weer naar de rem gaat, de oren richting het open raam worden gespitst en het hele circus zich herhaalt. Je kunt je voorstellen dat een ritje van enkele kilometers op deze manier enige tijd in beslag kan nemen, maar het is een zeer vermakelijk tijdverdrijf.
En zo komen we, nog high van de taxirit, aan bij een kleine kerk. Volgens de chauffeur is dit écht de kerk N'Djong Melen, die eigenlijk St. Paul heet. We zien niets bijzonders, niets dat wijst op een openluchtmis, noch de ons beloofde opzwepende Afrikaanse zang en dans, de traditionele drums of het kleurrijke en indrukwekkende koor van vrouwen. Maar het plein voor de kerk is gevuld met mensen, allemaal, net als wij, gekleed op z'n paasbest en zich verdringend rondom de talrijke verkopers van palmtakken. Twijfelend kijken we elkaar aan, in welke maand leven we eigenlijk, april? Zou het ‘t weekend vóór pasen kunnen zijn? Heet dat niet palmpasen..?!
De viering blijkt reeds begonnen en de kerk is tot de nok toe gevuld. We vragen even rond, nemen de nieuwsgierige blikken voor lief en vernemen dan tot onze teleurstelling dat de openluchtmis al enige jaren geleden is afgeschaft. Iemand legt ons uit dat de kerk direct na afloop van de mis zal leegstromen, om meteen weer gevuld te worden met een nieuwe groep gelovigen, degenen die nu op het plein staan te wachten en voor wie geen plek meer binnen was. De dienst herhaalt zich op deze manier net zolang tot iedereen een kans heeft gehad om de viering bij te wonen.
Dus kopen we ook een palmtak, zetten ons braafste gezicht op en nemen dan, als enige blanken, plaats op een van de houten bankjes achterin de kerk. De bankjes zijn duidelijk bedoeld voor de kinderen, maar we negeren de opgetrokken wenkbrauwen en blijven stellig zitten. Pas als iedereen opstaat, staan wij ook op. Wanneer iedereen, op het ritme van een psalm, vredig wuift met zijn palmtak, wuiven wij ook mee. En waneer iedereen een kruis slaat en een gebed begint te prevelen, staren wij onnozel voor ons uit en doen net of we niets in de gaten hebben.
Maar als we na enige tijd doorhebben dat er waarschijnlijk geen Afrikaanse zang en dans, traditionele drums of een kleurrijk en indrukwekkend vrouwenkoor meer zullen verschijnen, sluipen we zachtjes via de achteruitgang weer naar buiten. We schreeuwen naar een taxichauffeur, laten ons weer afzetten bij de auto en brengen de rest van de dag luierend en lezend door bij de tent. Zondag rustdag.
 |