|
- 7 april 2006 -
Op lokale markten door geheel West Afrika worden bonte, katoenen lappen per 2m² verkocht. Precies genoeg om één outfit van te maken. De veelkleurige, gebatikte stoffen, de zogenaamde waxcloth, die zowel door mannen als vrouwen worden gedragen, doen heel etnisch aan, maar komen oorspronkelijk uit Nederland. Dutch Waxcloth dus. En daarmee wordt het West Afrikaanse modebeeld grotendeels bepaald in Noord Brabant, door een bedrijf dat Vlisco heet.
Vrouwen dragen de lappen stof omgeslagen als pagne, een soort enkellange rok, eventueel met een bijpassende blouse of hesje en een haar(tul)band. Vaak hebben ze nog een extra omslagdoek om hun middel en/of de heupen gewikkeld waarmee ze 'n kind op hun rug dragen - de kleine voetjes zie je er aan de voorkant uitbungelen - en die gebruikt wordt om geld of andere zaken op het lijf te bewaren of om hun handen aan af te vegen. De stoffen zijn rijk versierd met symbolen, patronen, motieven, kleuren en, indien de draagster enigszins welvarend is of belang hecht aan mode, afgezet met rushes, kant en zijden biesjes.
Mannen dragen de traditionele stoffen als grand boubou, een broek met oversized hemd/jasje, waardoor het bij ons al snel de associatie met een pyama oproept, met daarin diepe zakken en ‘ventilatieplekken'. De kleuren van deze grand boubou zijn vaak rustiger dan de kledij van de vrouwen en wordt meestal alleen op speciale gelegenheden en religieuze feestdagen gedragen.
Ook in Kameroen, hoewel niet meer behorende tot West Afrika, dragen de vrouwen deze Waxcloth. Alleen, op een heel andere manier dan we tot nu toe gezien hebben. Waar de meeste Afrikaanse vrouwen, in de steden tenminste, modegevoelig zijn en trots hun vrouwelijke vormen laten zien, zien we hier alleen maar vrouwen in enorme wapperende tentdoeken en vormeloze hobbezakken. En allemaal hebben ze hetzelfde motief, een bloemetjespatroon met daarin het logo van de Internationale Vrouwendag. De enige variatie in het modebeeld wordt gebracht door de kleuren; mintgroen, babyblauw of zachtroze.
Mannelijke arbeiders en boeren zien er vaak slecht verzorgd en armoedig uit. Hun kleding is veelal Westers, maar versleten, vuil en vaal. In Afrika geldt dat hoe professioneler je eruit ziet, hoe mooier het pak en glimmender de schoenen, des te meer respect je zult ontvangen uit je omgeving. Dat betekent dus een lange broek, bij voorkeur een mooi gestreken pantalon, een overhemd, een colbert en een attachékoffertje. Stropdassen en sokken met Mickey Mouse of Tweety zijn hier helaas nog wel in de mode. Maar een korte broek? Armoede. T-shirt? Alleen voor kinderen. Sandalen of slippers? Arbeiders.
En hoe kleedt de gemiddelde toerist zich? Juist! Geen wonder dat wij worden aangekeken met een mengeling van afkeur, verbazing en vooral verwarring...

|