|
- 1 april 2006 -
En net als je denkt dat je alle Afrikaanse varieties in slechte wegen wel gezien hebt, rijd je Kameroen binnen.
We hobbelen over wegen die meer weghebben van golfplaten dan van wasbord, banen ons een weg door diepe kuilen en modderige paden en proberen rotspartijen en vele, vele stenen te ontwijken. Asfalt is weggeslagen of kapotgereden en de restjes liggen als kleine, scherpe eilandje verspreid over een roodgekleurd zandpad. De zon brandt genadeloos, urenlang zitten we in de auto en leggen de kilometers tergend langzaam af. En af en toe rijden we door een dorpje waar de plaatstelijke lolbroek een bordje '50 km/u' langs de weg heeft geplaatst.
Maar de natuur in Kameroen maakt veel goed. We rijden door dikbeboste gebieden, over roestige, gammele bruggetjes en zien heldere watervallen uit rotspartijen stromen. Plantages vol bananen en papayas, kleurige bloemen, rubberbomen waar spiraalsgewijs in gekerft is en waarvan het vocht in een bakje druppelt, en we zien cacao.
Als we een rivier passeren, rennen naakte kinderen luid joelend op ons af, gillend ‘white man, white man!'. We zwaaien naar mannen die zware stronken hout of trossen bananen tillen en vrouwen die grote zakken cassave of volle emmers water sjouwen.
En het zijn de wegen in Kameroen die ons, na exact vier maanden reizen, ons eerste mankement aan de auto bezorgen. Na een onheilspellend gerammel, gevolgd door een harde ‘kloink' stellen we vast dat de beschermplaat van het differentieel de rit niet heeft overleefd. Afgebroken op de lasnaden hangt de metalen pantsering onder de auto. Gelukkig is het eenvoudig te repareren, dus we schroeven de plaat los en vervolgen onze weg.
500 meter verderop begint het asfalt en we leggen in het daaropvolgende uur dezelfde afstand af als in de 6 uren daarvoor. Doodmoe en oververhit arriveren we in Limbe, na 4 landen in 10 dagen, 2118 kilometer en wat lijkt eindeloos veel uren in de auto.

|